Window washer rescued after dangling from side of building in downtown Harrisburg | PennLive.com

Window washer rescued after dangling from side of building in downtown Harrisburg | PennLive.com.

HARRISBURG — A man who slipped in his harness while washing the windows of a building downtown was rescued after dangling over the street for nearly 30 minutes, fire officials said.

Newly promoted Harrisburg Deputy Fire Chief Michael Horst said the man was checked by emergency medical personnel at the scene at the Penn National Insurance building on North Second Street. The man was released shortly before 10 a.m., Horst said.

“He dropped about two stories before he caught himself … we all thought he was going to keep falling. It was terrifying,” – Robert Roth, witness

Crews used a ladder truck to rescue the man, who was suspended about 70 to 80 feet above the street for roughly 20 minutes after he first slipped, the deputy chief said.

“He was getting ready to change his position on the side of the building and when he did, an automatic safety system kicked in and he was unable to get himself free,” Horst said.

windowwasherlong.jpgView full sizeA window washer was rescued from a building on Second Street in Harrisburg, Sept. 25, 2013.

While the safety harness kept the man from falling, it also put a strain on his legs and waist, meaning crews had to act fast to get him free before medical complications arose, Horst said.

“At about 30 minutes his body condition starts to break down from being constrained like that,” Horst told reporters.

In spite of Horst’s claims that the man was not in any serious danger of falling, onlookers described a frantic scene in the first minutes of the incident. Robert Roth, who was managing the Joe on the Go coffee and snack stand next to the financial building said he first noticed a crowd of people forming a short time before fire crews arrived.

“People were screaming, that’s when I came over,” Roth said. “He was just sort of hanging there at first, but then he dropped about two stories before he caught himself again … we all thought he was going to keep falling. It was terrifying.”

Fire crews had cleared the scene by 10 a.m., and North Second Street was reopened to traffic a short time later.


View Larger Map

SieV CAO punten voor 2014

Onze punten voor de komende CAO onderhandelingen zijn:

1) Loonmatiging
2) Artikel 38 verduidelijken en/of vereenvoudigen
3) Ontslagrecht versoepelen
4) Aanvulling bij ziekte inperken n.a.v. duur contract tot 18, na 18 en vanaf 24 maanden.
5) Eigen risico werknemers bij aantoonbaar privé ziekteverzuim!
6) Ziekteverzuimregeling versoepelen. In stand houden wachtdagen.
7) Geen opbouw vrije dagen bij langdurig ziekteverzuim.
8) Bonusdagen bij geen ziekmelding opnieuw invoeren.
9) Vorstverlet behouden/herinvoeren.
10) AOW grens oprekken naar 67
11) Schrappen reiskostenregeling
12) Herinvoering NUL-uren contract
13) Afschaffing eindejaarsuitkering
14) RAS subsidie bij opleidingen ook voor ZZP’ers mogelijk maken!
15) Opleidingsdruk verminderen
16) Opbouw salaris in stand houden
17) Contractsduur. Verschillende periodes mogelijk maken!
18) Afschaffen van opkomstgeld
19) Uitbetalen volgens de CAO (functie = Salaris)

zie voor meer info: www.schoonmakeniseenvak.com

Window washers stranded on high-rise building | The Daily Advertiser

Window washers stranded on high-rise building | The Daily Advertiser.

Firefighters are on stand-by to rescue two window washers who became stranded on the side of a high-rise building in Parramatta.

The window washers could be seen dangling on a platform outside the seventh floor of the Ferguson Centre on George Street in Parramatta on Wednesday morning.

Superintendent Ian Krimmer, from Fire and Rescue NSW, said firefighters were called to the building about 9.15am.

“Two window washers are stuck in what’s called a window cleaning bucket. They’ve declined rescue, they think they can manually winch the device themselves,” he said.

“We have an aerial platform ladder truck standing by to support them if required, but at this stage we’re not rescuing them.”

He said it was not clear how the bucket became stuck.

De doodsteek voor vaste contracten!

Samen de beste werkgever

Modernisering Ziektewet

HISTORIE, TOEKOMST EN FINANCIËLE GEVOLGEN

Door Persoonality en ENgage

Persoonality en ENgage | Modernisering Ziektewet, historie, toekomst en financiële gevolgen

2

INHOUDSOPGAVE

Hoofdstuk Paginanummer

Historie en samenvatting 3

Inleiding 3
De Ziektewet tot 2013 3

De Ziektewet van 1930 3

Risque professionel en risque social 4

Nederland is ziek 4

Re-integratie in de Ziektewet 6

De WIA evaluatie 6

De Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters 8

De eerste plannen 8

Het wetsvoorstel 9

Financiële gevolgen Ziektewet 12

Financiering Ziektewet 12

Financiering WGA 14

Situatie 2016 16

Advies Raad van State 17

De Tweede Kamer 17

Over Persoonality 19

Over ENgage 20

Historie en samenvatting

Inleiding

Per 1 januari 2013 ondergaat de Ziektewet enkele ingrijpende wijzigingen, met in het kielzog ook diverse wijzigingen voor de WIA. Met name wijzigingen rond de WGA-uitkeringslasten van (ex-) werknemers die in de WGA terechtkomen. Deze wijzigingen hebben invloed op zowel werkgevers als werknemers, verzekeraars als adviseurs.In drie hoodstukken informeren we u over de Ziektewet anno nu, de geplande wijzigingen, de achtergrond daarvan en ook de gevolgen van alle veranderingen. In dit hoofdstuk gaan we in op de vraag waarom de wijzigingen nodig zijn en hoe het zover heeft kunnen komen. We duiken dus de geschiedenis van de Ziektewet in zonder alle kenmerken en wijzigingen mee te nemen; het gaat om de grote lijnen van de ontwikkeling van de Ziektewet.

Ziektewet tot 2013

Onze sociale zekerheid is min of meer begonnen in 1901 met de komst van de Ongevallenwet. Werknemers van ‘gevaarlijke bedrijven’, ongeveer 25% van de Nederlandse werknemers, werden destijds verplicht verzekerden van
deze Ongevallenwet. Een werknemer die door een bedrijfsongeval arbeidsongeschikt raakte, kreeg een uitkering tot overlijden van maximaal 70% van zijn gemaximeerde dagloon. De hoogte van de uitkering was gerelateerd
aan de mate van arbeidsongeschiktheid en ook een beetje aan de toestand van de werknemer; was het ongeval bijvoorbeeld te wijten aan dronkenschap van de werknemer dan werd slechts de helft uitgekeerd. Vanaf 1921
werden alle werknemers verplicht verzekerden van de Ongevallenwet. Voor arbeidsongeschiktheid als gevolg
van ziekte of gebrek volgde in 1913 de Invaliditeitswet. Een werknemer kreeg een uitkering als hij met passende
arbeid niet meer kon verdienen dan een derde van het maatmanloon.

Begin vorige eeuw werd door de parlementariërs ook al nagedacht over een ziekteverzekeringswet. In 1910
mondde die gedachte uit in een voorstel voor een Ziektewet, waarin een uitkering bij ziekte van 70% van het
gemaximeerde dagloon voor de duur van 180 dagen werd geregeld. Er ligt een door Wilhelmina getekende Ziektewet
uit 1913. In de jaren die volgden wilde het echter niet vlotten met de invoering van de Ziektewet. Enerzijds
kwam dit doordat er nogal eens een kabinet ten val kwam, anderzijds waren de partijen het oneens over de
uitvoering van de Ziektewet. Uiteindelijk werd de Wet in 1929 door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer aangenomen
en trad de Ziektewet op 1 maart 1930 in werking.

De Ziektewet van 1930

De Ziektewet regelde vanaf 1930 een uitkering voor werknemers die arbeidsongeschikt waren als gevolg van
ziekte, de wachttijd hadden doorlopen en waarop geen uitsluitinggronden van toepassing waren. Wat nu precies
ziek was, stond niet in de wet omschreven. Wel stond vast dat zwangerschap en bevalling van gehuwde vrouwen
aan ziekte gelijk werden gesteld. De wachttijd bestond uit twee dagen en was uiteraard bedoeld om het
veinzen van ziekte tegen te gaan. In dat licht is het opmerkelijk dat de werkgever tijdens die wachtdagen een
loondoorbetalingverplichting had. Als uitsluitinggronden werden in de Ziektewet opgenomen het al bestaan van
arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering en het schuldig zijn aan het ontstaan of voortduren van
de arbeidsongeschiktheid. Verder werd geen uitkering verstrekt als de werknemer zijn arbeidsongeschiktheid
opzettelijk had veroorzaakt of als hij in de gevangenis zat.

Om in aanmerking te komen voor een Ziektewetuitkering moest een werknemer dankzij ziekte ongeschikt zijn
om arbeid te kunnen verrichten. Wat onder die arbeid precies verstaan moest worden, werd duidelijk na gerechtelijke
uitspraken. Onder arbeid werd verstaan de werkzaamheden die de verzekerde werknemer verrichtte op
het moment dat hij ziek werd.

Wanneer aan alle voorwaarden was voldaan volgde een uitkering van 80% van het gemaximeerde dagloon van
de werknemer, waarbij dat dagloon werd bepaald door het gemiddelde loon te nemen in de week voor de ziekmelding.
De maximale uitkeringsduur bedroeg een half jaar. Voor de zwangere en bevallende gehuwde vrouw
volgde een uitkering van 100% van het dagloon gedurende 12 weken.

De uitvoering van de Ziektewet lag in de handen van de werkgevers en werknemers. Een werkgever kon zich
voor de verzekering aansluiten bij een Raad van Arbeid (inmiddels opgegaan in de Sociale Verzekeringsbank SVB)
of een bedrijfsvereniging. De premie werd eerlijk gedeeld door werkgever en werknemer, maar een werknemer
mocht nooit meer premie betalen dan 1% van zijn premieplichtige loon. Zowel de raden van Arbeid als de bedrijfsverenigingen
stelden zelfstandig de premie vast die voor hun uitvoering benodigd was.

Risque professionel en risque social

Na 1930 verandert er, behalve een aanpassing van de uitkeringsduur naar 52 weken in 1947, weinig aan de inhoud
van de Ziektewet. Wel werd de uitvoeringsstructuur aangepast door de komst van de Organisatiewet Sociale
Verzekering in 1953. Deze aanpassing was volgens de wetsontwerpers noodzakelijk omdat de duale uitvoering
van de Ziektewet als inefficiënt werd gezien. De oplossing was dat alle bedrijven verplicht werden zich aan te
sluiten bij een bedrijfsvereniging die de uitvoering van de sociale verzekeringen, waaronder de Ziektewet, voor
zijn rekening moest nemen.

De invoering van de WAO in 1967 betekende een inhoudelijke wijziging voor de Ziektewet. Tot die tijd waren
werknemers bij arbeidsongeschiktheid in verband met werk, aangewezen op de Ongevallenwet en op de Invaliditeitswet
als ziekte of gebrek aan de arbeidsongeschiktheid ten grondslag lagen. Als een werknemer recht had
op een uitkering vanuit de Ongevallenwet, dan kon hij geen aanspraak maken op een Ziektewetuitkering. Met de
komst van de WAO verdwenen de sociale invaliditeits- en ongevallenverzekering. Hierdoor kreeg een werknemer
bij arbeidsongeschiktheid als gevolg van beroepsziekten of arbeidsongevallen ook eerst recht op een uitkering
vanuit de Ziektewet. Met andere woorden, vanaf dat moment werden zowel het risque social als het risque professionel
door de Ziektewet gedekt. Voortaan gold bij iedere arbeidsongeschiktheidsoorzaak dat de werknemer
maximaal eerst 52 weken een uitkering vanuit de Ziektewet genoot en vervolgens een WAO-uitkering tot de 65
jarige leeftijd.

Nederland is ziek

Nadat de sociale zekerheid min of meer voltooid was, begon een periode van economische onzekerheid. Nederland
belandde in een recessie en bezuinigingen werden noodzakelijk geacht. Mede dankzij de economische ontwikkelingen
steeg het beroep op de werknemersverzekeringen boven verwachting. De sociale zekerheid als grote
kostenpost moest zijn deel aan de bezuinigingen bijdragen, maar ingrijpende veranderingen in het ziekte- en
arbeidsongeschiktheidsstelsel volgden pas medio de jaren 80 van de vorige eeuw. Als eerste besloot het kabinet
(Lubbers I) in 1985 de uitkeringshoogte van de Ziektewet te verlagen naar 75% en in 1986 verder naar 70%. In de
jaren ’90 volgden meer wijzigingen die de instroom in Ziektewet en WAO moesten aanpakken. Per 1 maart 1992
was het de beurt aan de Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (Wet TAV).

Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume

Naast maatregelen die bedoeld waren voor de WAO, waren in de Wet TAV enkele ingrijpende Ziektewetwijzigingen
opgenomen. De invoering van een premiedifferentiatiesysteem in de Ziektewet betekende dat een onderneming
die boven het gemiddeld ziekteverzuim van de bedrijfstak uitkwam, een hogere premie betaalde dan een
onderneming die onder het bedrijfstakgemiddelde bleef. De bedrijfsverenigingen zelf bleven verantwoordelijk
voor het vaststellen van de gemiddelde premie en de verhoging, dan wel de verlaging van de premie per aangesloten
bedrijf. Andere belangrijke wijzigingen waren de verhoging van de Ziektewetuitkering voor heringetreden
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikten gedurende ziekteperioden gelegen in de eerste drie jaar na herintreding en de
verplichting aan bedrijfsverenigingen om werkgevers en werknemers te sanctioneren bij weigering om mee te
werken aan (gedeeltelijke) werkhervatting door een zieke werknemer.

Wet Terugdringing Ziekteverzuim

Nadat in 1993 de WAO verder werd aangepakt was de Ziektewet in 1994 weer aan de beurt met de Wet terugdringing
ziekteverzuim (Wet TZ). Deze wet zorgde ervoor dat werkgevers gedurende een bepaalde periode het
loon van hun werknemers bij ziekte doorbetaalden. De duur van de periode was gelieerd aan de omvang van de
totale loonsom. Werkgevers die jaarlijks meer verloonden dan 15 maal de gemiddelde loonsom per werknemer,
kregen een loondoorbetalingsperiode van 6 weken toebedeeld. Kleinere werkgevers betaalden twee weken
het loon door. De overheid wilde destijds werkgevers niet de volledige Ziektewetperiode laten betalen omdat
zij grote delen van het bedrijfsleven hiertoe niet in staat achtte. De eerste zes weken van het verzuim als eigen
risico betekende overigens dat bijna 90% van alle ziektegevallen binnen de eigen risicoperiode vielen. Om te
voorkomen dat de arbeidsmarktpositie van vrouwen zou worden verslechterd, werden uitkeringen in verband
met zwangerschap en bevalling uitgezonderd van de eigenrisico periode voor de werkgever.

De hoogte van de loondoorbetaling werd vastgesteld op 70% van het loon, waarbij er in ieder geval het minimumloon
betaald moest worden. Wilde een werkgever bovenwettelijke uitkeringen bij ziekte verstrekken dan
was dat prima, maar dit risico mocht niet (meer) worden verzekerd bij bedrijfsverenigingen.

Gelijktijdig met de invoering van Wet TZ werd de Arbowet (1980) ingrijpend gewijzigd. Het kabinet vond dat
werkgevers een adequaat beleid moesten voeren op het gebied van preventie van ziekte, arbeidsongeschiktheid
en de arbeidsomstandigheden binnen het eigen bedrijf. De werkgever zou hiervoor een deskundige dienst
moeten inschakelen.

Wet Uitbreiding Loondoorbetalingsplicht bij Ziekte

In 1993 verschenen de onderzoeksresultaten van een commissie onder leiding van Kamerlid Buurmeijer. Deze
commissie Buurmeijer had een parlementaire enquête uitgevoerd naar het functioneren van de uitvoerende
partijen van de werknemersverzekeringen. De aanbevelingen van Buurmeijer hebben een enorme impact gehad
op de Ziektewet. Zo werd de aanbeveling om de Ziektewet te privatiseren voor een groot deel overgenomen.
Staatssecretaris Robin Linschoten diende in 1995 een wetsvoorstel in dat de loondoorbetalingsperiode bij ziekte
uitbreidde naar 52 weken. De bedoeling was dat werkgevers die direct werden geconfronteerd met de kosten
van verzuim, werk zouden maken van het voorkomen of verkorten ervan. De periode van 52 weken werd nu wel
financieel haalbaar geacht voor alle ondernemingen, mede omdat het Verbond van Verzekeraars aangaf dat dit
risico prima privaat te verzekeren zou zijn. Toen de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz)
op 1 maart 1996 in werking trad, werd de Ziektewet gereduceerd tot een vangnetregeling. De vangnetfunctie
bestond en bestaat nog steeds uit het verstrekken van een uitkering bij twee categorieën zieke werknemers:

1. Werknemers zonder werkgever; dit zijn onder andere werklozen, (bepaalde) uitzend- en oproepkrachten en
werknemers waarvan het dienstverband afloopt tijdens ziekte;

2. Werknemers waarvan het niet wenselijk is dat de werkgever opdraait voor de kosten van ziekte; dit zijn
onder andere werkneemsters die ziek worden als gevolg van zwangerschap of bevalling, werknemers die als
gevolg van een orgaandonatie uitvallen, werknemers met een arbeidsongeschiktheidsuitkering die in dienst
gehouden worden en in dienst genomen werknemers met structurele functionele beperkingen.

Een Ziektewetuitkering bedraagt voor de eerste groep maximaal 70% van het gemaximeerde loon. De uitkering
kan voor de tweede categorie maximaal 100% zijn in het eerste jaar van ziekte, indien de werkgever dit normaal
gesproken bij ziekte betaalt. De ziekengeldregeling voor werknemers met een werkgever is bedoeld om risicoselectie
door die werkgever te voorkomen. Indien de werkgever opdraait voor ziekte als gevolg van zwangerschap
dan zou dit kunnen leiden tot verminderde interesse in de vrouwelijke sollicitant. Voor de werknemer met een
arbeidsbeperking geldt dat de overheid wil stimuleren om deze categorie aan een baan te helpen. Voor de werkgevers
kan een drempel tot aanname de grotere kans op uitval zijn van deze werknemers. De no-riskpolis van de
Ziektewet (ZW art. 29 b) komt tot uitkering indien deze werknemers binnen vijf jaar na indiensttreding uitvallen,
ongeacht door welke ziekte. Als laatste acht de overheid orgaandonatie van algemeen belang. Zij vindt het
daarom niet billijk dat de werkgever moet opdraaien voor kosten indien de donor arbeidsongeschikt raakt.

De uitbreiding van de loondoorbetalingsplicht is verder verlengd naar 104 weken per 2004 met de Wet verlening

loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Als gevolg daarvan is ook de maximale uitkeringsduur van de Ziektewet
verlengd naar 104 weken.

Re-integratie in de Ziektewet

De eerder aangehaalde commissie Buurmeijer oordeelde over de uitvoerders van de werknemersverzekeringen
dat zij uitkeringen ruimhartig toekenden en weinig aandacht hadden voor preventie en re-integratie. De
sociale zekerheid werd in feite gebruikt om de arbeidsmarkt te ontlasten. De analyse van de commissie was het
startsein om de structuur van de uitvoeringsorganisatie te verbeteren. Uitvoering en bestuur werden ontvlecht.
Bedrijfsverenigingen verdwenen en uitvoeringsinstellingen verschenen ten tonele om de werknemersverzekeringen
uit te voeren. Inmiddels zijn deze uitvoeringsinstellingen samengegaan in één Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
’het UWV’.

De verantwoordelijkheid voor begeleiding van zieke werknemers is sinds de Wet Uitbreiding Loondoorbetalingsplicht
bij Ziekte (Wulbz) verdeeld tussen werkgevers en de bedrijfsverenigingen (inmiddels UWV). Deze
verantwoordelijkheden zijn in 2002 duidelijker vastgelegd dankzij het van start gaan van de Wet Verbetering
Poortwachter. De Wet moest ervoor zorgen dat re-integratieprestaties verbeterden en dat het voor werkgevers
en werknemers duidelijk zou worden wat er van hen werd verwacht in het re-integratieproces. Achteraf worden
de re-integratie-inspanningen van de werknemer en de werkgever door het UWV beoordeeld.

Het UWV verzorgt de arborol voor de Ziektewetontvangers zonder werkgever. Deze arborol betekent dat het
UWV de ‘werkgeversrol’ vervult voor zieke uitzendkrachten, zieke werklozen en werknemers die na afloop
van een tijdelijk dienstverband ziek blijven. Uit onderzoeken vanaf 2002 naar de effectiviteit van het UWV als
‘werkgever’, bleek dat er op het terrein van re-integratie onvoldoende resultaat werd geboekt. Ondanks verbeteringsslagen
betekenden de dramatische cijfers die de WIA evaluatie over de Ziektewet liet zien dat het kabinet
opnieuw tot aanpassingen van de Wet besloot.

De WIA evaluatie

In 2006 heeft de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) de WAO opgevolgd. De WIA moest in tegenstelling
tot de WAO een activerend stelsel worden. Met de invoering werd besloten om de werking van de WIA
binnen vijf jaar te evalueren. In deze door – onderzoeksbureaus Astri en Ecorys uitgevoerde – evaluatie bleek dat
instroom vanuit de Ziektewet oververtegenwoordigd was in de WIA en dan met name de WGA. IVA-toekenning
komt bij vangnetters maar half zo vaak voor als bij werknemers (8% tegenover 16% van de claims). De cijfers uit
de WIA evaluatie laten zien dat in 2009 van de WGA instromers, die voor instroom een dienstverband hadden,
63% aan het werk is. Dit komt overeen met de verwachtingen van de overheid ten tijde van de WIA plannen. Zij
verwachtten destijds dat 65% van de WGA’ers aan het werk zou zijn.

De WGA instroom die ontstaan is vanuit een Ziektewetperiode laat volledig andere cijfers zien. Grosso modo
bestaat de helft van de WGA populatie uit instroom vanuit het Ziektewet vangnet. Van deze groep vangnetters
in de WGA werkte in 2009 slechts 27%, wat een aanzienlijk verschil is met de verwachting van de overheid en het
percentage werkenden onder de WGA’ers die vanuit een dienstverband zijn ingestroomd.

Ontwikkeling van het aandeel nieuwe WGA-uitkeringen

Bron: Memorie van Toelichting bij het Wetsvoorstel tot wijziging van
de Ziektewet en enige andere wetten om ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid van vangnetters te beperken (Wet beperking

ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters)

 

Een conclusie kan dus zijn dat werknemers met een dienstverband bij ziekte meer kans hebben op (gedeeltelijke)
re-integratie. Zij hebben het voordeel dat de werkgever 104 weken lang verantwoordelijk is voor de re-integratie
of zelfs 12 jaar indien de werkgever eigen risicodrager is voor de WGA.

Reactie op de evaluatie

De evaluatie van de WIA bleek vooral gevolgen voor de Ziektewet te hebben. De reden daarvoor is uiteraard te
vinden in het grote verschil tussen WIA-instroom van reguliere werknemers en instroom vanuit het Ziektewet
vangnet en de mate van re-integratie van beide groepen. Het ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid
nam maatregelen op werkgevers- en werknemersniveau.

De Ziektewet is volgens het ministerie weinig activerend door haar uitkeringsstructuur. Werken is lonend, echter
tot een bepaalde grens. Ook voor de werkgever zijn er geen activerende prikkels in de Ziektewet, terwijl deze prikkels
wel kunnen helpen bij re-integratie van werknemers die onder de no riskpolis vallen of degenen die ziek uit
dienst gaan. Het hebben van een betrokken werkgever blijkt een succesfactor in de strijd tegen ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid.

Per juli 2011 is de Wet verrekening inkomen met ziekengeld in werking getreden. Deze wet zorgt ervoor dat het
voor een Ziektewetgerechtigde (zonder werkgever) lonend is om zoveel mogelijk te werken. Zijn inkomen wordt
namelijk voor 70% verrekend met de Ziektewet. Hierdoor ontstaat een uitkering die lijkt op de loongerelateerde
uitkering in de WGA: hoe meer men werkt, hoe hoger het totaalinkomen uiteindelijk is. De nieuwe wet bevat
ook twee belangrijke wijzigingen voor werkgevers: de loonsanctie en de verhaalssanctie. Een werkgever die voor
een werknemer met een tijdelijk dienstverband tijdens ziekte onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft
geleverd, wordt gesanctioneerd door verhaal van de Ziektewetuitkering. De periode van verhaal is afgestemd
op de periode dat de ex-werkgever niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. De loonsanctie is een
sanctie die de werkgever ontvangt voor onvoldoende re-integratie-inspanning bij een zieke werknemer waarvoor
de werkgever een vergoeding vanuit de no riskpolis Ziektewet ontvangt. Deze sanctie is gelijk aan die bij reguliere
werknemers: maximaal 1 jaar.

70

60

50

40

30

20

10

0

2006 2007 2008 2009 2010 2011

vaste krachten

vangnetter

De Wet beperking ziekteverzuim en

arbeidsongeschiktheid vangnetters

In het hoofdstuk Historie en samenvatting heeft u kunnen lezen over het ontstaan van de Ziektewet en de ontwikkelingen
ervan tot nu toe. We sloten af met enkele conclusies naar aanleiding van de WIA evaluatie. Instroom
in de Ziektewet en vervolgens WIA instroom vanuit de Ziektewet moet volgens de overheid worden aangepakt.
Inmiddels weten we dat dit moet gebeuren met de Wet tot wijziging van de Ziektewet en enige andere wetten
om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van vangnetters te beperken. In dit hoofdstuk gaan we in op
de plannen met betrekking tot de Ziektewet, het commentaar daarop van de betrokkenen en uiteraard op de
inhoud van de uiteindelijke wetswijzigingen. In het hoofdstuk Financiële gevolgen Ziektewet zullen we de wijzigingen
van de Wet financiering sociale verzekeringen onder de loep nemen.

De eerste plannen

Staatssecretaris Paul de Krom van Sociale Zaken & Werkgelegenheid zond op 25 maart 2011 een brief naar de
Tweede Kamer waarin hij een reactie op de WIA evaluatie formuleerde. De Krom benoemde naast het overduidelijke
positieve effect van WIA en het ingezette beleid een vijftal aandachtspunten. De belangrijkste daarvan was
de hoge instroom van vangnetters in de WIA en de geringe mate van werkhervatting van deze groep. Volgens
de staatssecretaris was aanpak van de Ziektewet noodzakelijk om werkhervatting te stimuleren en langdurig
ziekteverzuim en WIA instroom terug te dringen. Wat die aanpak zou kunnen inhouden had minister Kamp toen
inmiddels uit de doeken gedaan:

* Ik sta op het standpunt dat verdere versterking van de activerende werking van de Ziektewet gewenst blijft.

Daartoe werk ik momenteel een pakket met voorstellen uit…

Doelstelling van dit pakket aan maatregelen is om het hoge ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid onder
vangnetters terug te dringen, werkhervatting van zieke vangnetters te stimuleren en daarmee de kosten gemoeid
met ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van vangnetters te beperken. Onderstaand treft u een voorlopig overzicht
aan van de voornemens die ik voor ogen heb…

Prikkels voor uitkeringsgerechtigden

1. Na één jaar ziekte wordt het ziektebegrip dat nu gebaseerd is op ‘zijn arbeid’ aangescherpt tot ‘passende arbeid’(
waarbij getoetst wordt of er sprake is van een loonverlies van meer dan 35%).

2. De re-integratie- en sollicitatieverplichtingen voor ZW-gerechtigden worden aangescherpt conform de WGA.

Prikkels voor werkgevers

1. Invoering van een periode van twee weken loondoorbetaling voor uitzendbureaus via aanpassing van het BW
(in verband met het uitzendbeding).

2. Verkenning van de mogelijkheid van meer financiële prikkels voor werkgevers waarmee de ziekte- en arbeidsongeschiktheidslasten
voor uitzendkrachten en werknemers met een tijdelijk dienstverband meer worden
toegerekend aan de individuele werkgever.

Het voorlopige overzicht van Minister Kamp leidde in het najaar van 2011 tot het wetsvoorstel Beperking ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid vangnetters.

* Uit brief Minister Kamp IVV/I/2011/4185

Het wetsvoorstel

Onder de officiële titel Wet tot wijziging van de Ziektewet en enige andere wetten om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
van vangnetters te beperken, is door Sociale Zaken een aantal maatregelen voorgesteld in met
name de Ziektewet en de Wet financiering sociale verzekeringen. Grofweg kan worden gesteld dat de wijzigingen
in de Ziektewet een activerende werking moeten hebben op de werknemer en de wijzigingen in de Wet
financiering sociale zekerheid de werkgever moet aansporen om re-integratie van vangnetters serieus te nemen.
Een wet die niet aangepast hoeft te worden is het Burgerlijk Wetboek omdat de loondoorbetaling van twee weken
voor uitzendbureaus niet doorgaat. De minister was het op dit punt eens met de Raad van State die stelde
dat twee weken loondoorbetaling in feite niets te maken heeft met terugdringing van langdurig ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid. De wijzigingen van de Ziektewet die we bespreken, zijn van toepassing op werknemers
zonder werkgever. Voor compensatie vanuit de no riskpolis van de Ziektewet gelden deze wijzigingen niet,
maar deze worden wel meegenomen bij de wijziging in financiering (hoofdstuk Financiële gevolgen Ziektewet).

Voorgestelde wijzigingen in de Ziektewet

De wijzigingen in de uitkering vanuit de Ziektewet bestaan uit de aanpassing van het Ziektewetcriterium, het
introduceren van een arbeidsverledeneis en een ondergrens om in aanmerking te komen voor een Ziektewetuitkering.
Flankerend zijn er maatregelen opgenomen die de re-integratie moeten bevorderen, zoals aanscherping
van re-integratie-eisen maar ook verruiming van de mogelijkheden om de re-integratie vorm te geven. Hierbij
moet gedacht worden aan verlenging van de maximale termijn van proefplaatsing van 3 tot 6 maanden en de
mogelijkheid voor het UWV om convenanten met werkgevers af te sluiten die gericht zijn op werkhervatting van
Ziektewetgerechtigden.

Het Ziektewetcriterium

Een werknemer is volgens de Ziektewet arbeidsongeschikt als hij zijn arbeid niet kan uitvoeren als gevolg van
ziekte. Met zijn arbeid wordt bedoeld de arbeid die de werknemer als laatste uitvoerde voordat hij of zij de werkzaamheden
moest staken. Hierdoor staat inkomensbescherming centraal en heeft activering geen of slechts een
ondergeschikte rol.

Met de nieuwe wet wordt het Ziektewetcriterium na 52 weken ziekte aangepast van zijn arbeid naar algemeen
geaccepteerde arbeid, net als in de WIA wordt gehanteerd. Dit is een verschil met zieke werknemers die een
werkgever hebben, maar dat verschil is te billijken omdat enerzijds vangnetters doorgaans geen langdurig verleden
in de laatste arbeid hebben en daarnaast minder valt te verwachten dat zij in die laatst verrichtte arbeid
re-integreren. De aanscherping van het criterium zorgt ervoor dat arbeidsongeschikte vangnetters sneller op
zoek zullen gaan naar passend werk en zo korter afhankelijk zijn van een uitkering.

Gezien de bovenstaande argumentatie van de overheid zou het ook logisch zijn om het criterium niet vanaf de
53e week van ziekte te laten gelden maar meteen vanaf de ziekmelding. Dat hier niet voor is gekozen ligt aan
de re-integratieverplichtingen van de vangnetter. Deze verplichtingen houden in dat hoe langer een Ziektewetgerechtigde
een uitkering ontvangt, hoe meer concessies van hem of haar verwacht worden. Deze methodiek
is ontleend aan de WW en betekent dat na 52 weken alle gangbare arbeid wordt gezien als passende arbeid.
Verder sluit de termijn van 52 weken aan bij de eerstejaarsevaluatie die UWV samen met de vangnetter verricht
aan het einde van het eerste ziektejaar. Het is dan ook dat de keuring plaatsvindt na 52 weken van ziekte en niet
perse na 52 weken Ziektewetuitkering. Een zieke werknemer die na een jaar van loondoorbetaling bij ziekte in de
Ziektewet belandt, zal dus meteen met het aangescherpte criterium te maken hebben.

De arbeidsverledeneis

Momenteel ontvangt een vangnetter bij ziekte 70% van zijn (gemaximeerde) dagloon voor een maximale duur
van 104 weken. Dit wordt gewijzigd om een meer activerend karakter te geven aan de uitkeringsstructuur. De
uitkering van 70% wordt nog slechts tijdelijk verstrekt en opgevolgd door een lagere vervolguitkering. Deze
methodiek wordt ook toegepast in de regeling WGA en je zou dus kunnen zeggen dat er een loongerelateerde
Ziektewetuitkering komt die wordt gevolgd door de Ziektewet vervolguitkering (de loonaanvulling uit de WGA
komt niet terug in de Ziektewetwijzigingen).

De loongerelateerde Ziektewetuitkering duurt drie maanden en wordt verlengd met één maand voor ieder volledig
kalenderjaar dat het arbeidsverleden de duur van drie kalenderjaren overstijgt. Heeft de vangnetter een arbeidsverleden
van twee kalenderjaren, dan duurt de loongerelateerde periode dus drie maanden, bij een arbeidsverleden
van tien kalenderjaren is de loongerelateerde fase tien maanden. Anders dan bij de loongerelateerde
WGA uitkering is de maximale duur van de loongerelateerde Ziektewet vanzelfsprekend geen 38 maanden maar
24 maanden. Het kan zijn dat de vangnetter voordat hij in de Ziektewet belandde recht had op loondoorbetaling
bij ziekte van een werkgever. De duur van die loondoorbetaling bij ziekte heeft geen invloed op de lengte van de
Ziektewet loongerelateerde uitkering. De duur van een voor de ziekte genoten WW loongerelateerde uitkering
wordt wel in mindering gebracht.

De hoogte van de loongerelateerde Ziektewetuitkering is 70% van het verschil tussen het (gemaximeerde) dagloon
minus eventuele inkomsten uit arbeid. Op deze inkomsten uit arbeid is de correctiefactor van toepassing,
zodat het voor vangnetters met een inkomen boven het maximum dagloon altijd lonend is om meer te verdienen
naast de uitkering.

Na afloop van de periode van het loongerelateerde ziekengeld, wordt tijdens de resterende duur van de Ziektewetperiode
70% van het minimumloon betaald. Indien de vangnetter naast de uitkering inkomen ontvangt,
dan wordt 70% van het verschil tussen het minimumloon en het inkomen uitgekeerd. Als het dagloon van de
vangnetter lager is dan het minimumloon per dag, dan wordt bij de berekening van de vervolguitkering uitgegaan
van het dagloon. Deze vervolguitkering betekent voor de volledig arbeidsongeschikte vangnetter dat hij of
zij financieel geprikkeld wordt zonder dat er een resterende verdiencapaciteit is. Alleen als de vangnetter volledig
en duurzaam arbeidsongeschikt is kan dit lot worden omzeild; in dat geval kan na een verkorte wachttijd van
minimaal 13 weken een aanvraag voor een WIA uitkering (IVA) worden verricht bij het UWV.

De hierboven beschreven methode zorgt er volgens Minister Kamp voor dat er enerzijds een financiële prikkel
ontstaat en anderzijds dat de omvang van de Ziektewetuitkering beter aansluit bij de duur van het arbeidsverleden.
De ondergrens van 35%

Zoals eerder is vermeld, worden zieke vangnetters na 52 weken op basis van een gewijzigd Ziektewetcriterium
beoordeeld. Deze keuring op basis van gangbare arbeid, wordt door het UWV uitgevoerd en zal zoveel als mogelijk
lijken op de WIA keuring. Door een vergelijking van het maatmanloon met het loon dat de vangnetter kan
verdienen in algemeen geaccepteerde arbeid, zal het UWV aan het eind van het eerste ziektejaar vaststellen of
er – als gevolg van ziekte – bij de vangnetter sprake is van een verlies aan verdienvermogen.

Ook het vervolg is gelijk aan de WIA: indien blijkt dat de vangnetter minder dan 35% arbeidsongeschikt is, dan zal
hij of zij geen recht op ziekengeld meer hebben. Bij het beëindigen van de uitkering wordt een overgangstermijn
van een maand gehanteerd. Deze maand is bedoeld om de vangnetter de gelegenheid te geven zich in te stellen
op de nieuwe situatie. Als een vangnetter minder dan 35% arbeidsongeschikt raakt omdat hij meer dan 65% van
zijn maatmaninkomen verdient, dan blijft er vanaf dat moment nog (maximaal) een halfjaar lang recht op een
Ziektewetuitkering.

Samenvatting Ziektewet en uitkeringsvoorbeelden

Een werknemer die in de Ziektewet belandt ontvangt een Ziektewet loongerelateerde uitkering van drie maanden.
Deze periode wordt verlengd met één maand voor ieder volledig kalenderjaar dat het arbeidsverleden de
duur van drie kalenderjaren overstijgt. De hoogte van de uitkering bedraagt 70% van het verschil tussen het
(gemaximeerde) dagloon en inkomsten uit arbeid. Na afloop van de loongerelateerde fase wordt een uitkering
verstrekt van 70% van het minimumloon of het dagloon als het dagloon lager is dan het minimumloon per dag.
Indien de vangnetter werkt, dan wordt 70% van het verschil tussen de vervolguitkering en het inkomen betaald.

Na 52 weken van ziekte wordt de vangnetter door het UWV beoordeeld op basis van gangbare arbeid. Indien
wordt vastgesteld dat de werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt is dan wordt de Ziektewetuitkering na
een maand ingetrokken. Het recht op uitkering loopt nog een halfjaar door als een vangnetter minder dan 35%
arbeidsongeschikt raakt dankzij inkomen dat hij vanuit arbeid ontvangt.

Uitkeringsvoorbeelden

Bij de uitkeringsvoorbeelden geldt een minimumloon van € 18.872,- en een maximumloon van € 50.064,-. De
voorbeelden worden voor de leesbaarheid uitgewerkt op basis van jaarbedragen.

Voorbeeld 1

Josine heeft een tijdelijk contract bij werkgever Van den Bron. Zij raakt ziek en ontvangt van de werkgever loondoorbetaling
tot haar contract 6 maanden later afloopt en niet wordt verlengd. Haar jaarinkomen bedraagt €
20.000,-. Josine heeft een arbeidsverleden van 16 jaar. Na instroom in de Ziektewet lukt het Josine niet om werk
te krijgen.

Ziektewetuitkering:

Josine heeft recht op maximaal 24 minus 6 = 18 maanden Ziektewetuitkering

Loongerelateerde uitkering 16 maanden: 70% van € 20.000,- = € 14.000,-

Vervolguitkering 2 maanden 70% x € 18.872

Voorbeeld 2

Gerard heeft een jaarinkomen van € 100.000,- en een arbeidsverleden van 20 jaar. Op het moment dat zijn
werkgever failliet gaat, is Gerard twee maanden ziek. Gerard krijgt een Ziektewetuitkering en weet daarnaast €
20.000,- aan inkomen te verdienen in passend werk.

Ziektewetuitkering:

Gerard heeft recht op maximaal 24 minus 2 = 22 maanden Ziektewetuitkering

Loongerelateerde uitkering 20 maanden:

70% van het verschil tussen € 50.064,- en € 20.000,- x 50.064/100.000 = € 28.036,-

Vervolguitkering 2 maanden 70% van het verschil tussen € 18.872,- en € 20.000,- = € 0,-

Voorbeeld voor werkgevers

In onderstaande berekening van de ziektewetuitkeringen ziet u duidelijk hoe de kosten van ziektewetuitkeringen
kunnen oplopen, zodra het ziekteverzuim onder medewerkers met een contract voor bepaalde tijd toeneemt.
Deze ziektewetuitkeringen zullen vanaf 2014 middels een gedifferentieerde ziektewetpremie aan u als werkgever
worden doorbelast.

loonsom

€ 35.000.000,00

€ 35.000.000,00

€ 35.000.000,00

€ 35.000.000,00

personeelsleden

1.000

1.000

1.000

1.000

gemiddeld loon van bepaalde tijders

€ 35.000,00

€ 35.000,00

€ 35.000,00

€ 35.000,00

% bepaalde tijd contracten

40%

40%

40%

40%

aantal bepaalde tijd contracten

400

400

400

400

ziekteverzuim onder bepaalde tijders

4%

6%

8%

10%

ziekteverzuim onder bepaalde tijders

16

24

32

40

gemiddeld 4 maanden ziektewetuitkering
4

4

4

4

kosten voor ziektewetuitkeringen

€ 130.666,67

€ 196.000,00

€ 261.333,33

€ 326.666,67

percentage van totale loonsom

0,37%

0,56%

0,75%

0,93%

 

 

Financiële gevolgen Ziektewet

In dit hoofdstuk worden de gevolgen die de Ziektewetwijzigingen hebben voor de portemonnee van de werkgever
besproken. Er gaat veel veranderen. Niet alleen wordt de Ziektewet middels een gedifferentieerde premie
gefinancierd, ook instroom vanuit de Ziektewet in de WGA wordt bij de werkgever gedifferentieerd in rekening
gebracht. Vervolgens is het weer afhankelijk van werkgeversgrootte of de instroomcijfers van de sector invloed
hebben. Als de wijzigingen definitief zijn, moet vervolgens de private markt met zijn producten en dienstverlening
naar buiten treden. Alles met het doel om de instroom van vangnetters in de ziekte en arbeidsongeschiktheidsregeling
te beperken. Of dat gaat lukken ligt ook aan de mate waarin de nieuwe regelgeving door
werkgevers en werknemers wordt begrepen en vervolgens in handelen kan worden omgezet. Drie verschillende
bedrijfsgrootten, drie risico’s en drie verschillende jaren tot aan 2016. Er valt een hoop uit te leggen.

Financiering Ziektewet

Anno 2012 is de Ziektewet voor de meeste werkgevers geen grote kostenpost. De financiering vindt plaats via
premieheffing over het sociaal verzekeringsloon door de Belastingdienst. De Ziektewet wordt volledig door
werkgevers betaald. Wat zij precies betalen zullen werkgevers meestal niet weten omdat de Ziektewetpremie is
gesplitst en ondergebracht in de premie voor het Sectorfonds en het Algemeen Werkloosheidsfonds, van oudsher
fondsen ten behoeve van de financiering van de Werkloosheidswet. De premie ten behoeve van dit Werkloosheidsfonds
is voor iedere werkgever gelijk. De sectorpremie is per sector gedifferentieerd en daarbinnen zijn nog
enkele variëteiten. De sectoren Agrarisch bedrijf, Bouwbedrijf, Grafische industrie, Horeca algemeen, Uitzendbedrijven,
Culturele instellingen en Schildersbedrijf kennen een differentiatie naar premiegroep. Deze vindt plaats
op basis van het soort contract van de werknemers. Voor werknemers met een contractduur korter dan één jaar
betaalt de werkgever de hoge premie en voor werknemers met een contractduur van één jaar of langer betaalt
de werkgever de lage premie.

Ziektewetuitkering vanuit het sectorfonds (art. 104 Wfsv)

• Ziektewetuitkeringen aan werknemers met een fictieve dienstbetrekking;

• werknemers die binnen vier weken na het einde van de Ziektewetverzekering arbeidsongeschikt raken
(nawerking);

• de werknemer die ziek uit dienst gaat.

Ziektewetuitkering vanuit het Algemeen Werkloosheidsfonds (art. 100 Wfsv)

• zieke werklozen;

• werknemers die wegens orgaandonatie arbeidsongeschikt zijn;

• de vrouwelijke verzekerde die ziek is als gevolg van zwangerschap of bevalling;

• de werknemer waarvoor recht is op vergoeding vanuit de no risk polis van de Ziektewet.

In de Wet financiering sociale verzekeringen is geregeld dat werkgevers de mogelijkheid hebben eigen risicodrager
te worden voor de Ziektewet. Zij worden dan risicodrager voor de werknemers voor wie geen loondoorbetalingsplicht
bij ziekte geldt, zoals bijvoorbeeld werknemers die ziek uit dienst gaan. Deze Ziektewetlasten worden
normaliter gefinancierd uit de sectorfondsen. Een eigen risicodrager voor de Ziektewet betaalt daarom een
lagere sectorpremie: alleen het WW-deel.

Slechts weinig werkgevers worden eigen risicodrager voor de Ziektewet. Een belangrijke reden daarvoor is dat
de eigen risicodrager aan publieke premie ten hoogste enkele tienden van een procent kan besparen. Alleen voor
uitzendbedrijven ligt dat anders. Met eigen risicodragerschap kunnen zij procenten aan publieke premie besparen.
De meeste eigen risicodragers voor de Ziektewet zijn dan ook uitzendbedrijven.

Al met al kan dus worden gesteld dat werkgevers, met uitzondering van uitzendbedrijven, een kleine Ziektewetpremie
betalen en meestal niet exact weten hoeveel ze afdragen. Omdat de premies daarnaast landelijk en
sectoraal worden vastgesteld is er geen financiële prikkel aanwezig om instroom in de Ziektewet te voorkomen.

Situatie 2013

Stel, u heeft een werknemer met een jaarcontract. Na 6 maanden wordt deze persoon ziek. In de huidige situatie
ziet dit er dan als volgt uit:

Wijziging financiering Ziektewet

Sociale Zaken & Werkgelegenheid wil de instroom in de Ziektewet en WIA instroom door vangnetters terugdringen
door UWV, werknemers en werkgevers te stimuleren. De stimulans voor werkgevers is een financiële en is
ingegeven door het enorme succes van de aanpak bij werknemers met een vast dienstverband. De loondoorbetalingsverplichting
bij ziekte en premiedifferentiatie in de WGA hebben duidelijk hun vruchten afgeworpen en dat
succes moet ook bij de vangnetters geboekt kunnen worden. Samen met de ingevoerde ‘prikkels’ voor werknemers
in de Ziektewet zou meer direct financieel belang van de werkgever ervoor moeten zorgen dat preventie
en re-integratie voor vangnetters nadrukkelijker op de agenda van het bedrijfsleven komt te staan. Een van de
uitgangspunten bij invoering van de prikkels, is dat deze beter werken bij grote dan bij kleine werkgevers. Bovendien
zorgen financiële prikkels bij kleine werkgevers vaker voor risicoselectie.

De wijzigingen die Sociale Zaken voorstaat moeten met name in 2014 en 2016 plaatsvinden. Voor volgend jaar
(2013) wordt alvast een zogenoemde ‘weeffout’ in de Ziektewetfinanciering weggenomen. Momenteel wordt de
Ziektewetpremie gebaseerd op de totale loonsom van Nederland, inclusief de loonsommen van bedrijven die eigen
risicodrager voor de Ziektewet zijn. Het premiepercentage is daardoor lager dan nodig. Daar staat tegenover
dat werkgevers die eigen risicodrager voor de Ziektewet worden, hun uitloop niet zelf hoeven te betalen. Deze
schade wordt betaald door de werkgevers die geen eigen risicodrager zijn, waardoor het premiepercentage van
de Ziektewet stijgt. Per 2013 zal de Ziektewetpremie worden gebaseerd op de loonsom van de publiek verzekerde
werkgevers en zullen de staartlasten van eigen risicodragers door alle werkgevers worden gefinancierd. Dit
heeft grote gevolgen voor het uitzendwezen (sector 52). De rest van de bedrijven zal hier nauwelijks gevolgen
van ondervinden. Zoals vermeld gaat de vernieuwing per 2014 echt van start.

Situatie 2014

Met ingang van 2014 gaat voor werkgevers een andere wijze van Ziektewetfinanciering gelden. Het is daarbij van
belang hoe groot een werkgever is. Net als nu het geval bij de premievaststelling van de publieke WGA-verzekering
gaat het daarbij om de omvang van de loonsom. Hoe groter een werkgever is, hoe meer hij opdraait voor de
kosten van zijn ‘eigen’ Ziektewetschade. Het UWV berekent de Ziektewetpremie voor een bedrijf aan het einde
van het jaar voor het jaar dat volgt. Hiervoor heeft zij definitieve Ziektewet en loongegevens van het bedrijf nodig.
De gegevens van het lopende jaar zijn op dat moment nog niet definitief zodat de informatie van het vorige
jaar wordt gebruikt. Aldus ontstaat de systematiek dat een Ziektewetpremie van enig jaar, gebaseerd zal zijn op
de gegevens van twee jaar ervoor. Dit wordt T-2 genoemd en deze wijze van premie berekenen wordt ook bij de
WGA gedifferentieerde premie gehanteerd. In de premievaststelling wordt de volgende onderverdeling gemaakt:

financiering door sectorfonds
– sectorpremie

financiering door
sectorfonds

risico werkgever

loondoorbetaling

6 maanden

loondoorbetaling/
WVP

18 maanden
Ziektewet

6 maanden

vanaf 104
weken WGA

aanvang

jaarcontract

eerste

ziektedag

einddatum

tijdelijk contract

einde wachttijd –

104 weken ziek

• Werkgevers > 100 x de gemiddelde loonsom:
een gedifferentieerde premie gebaseerd op de schadelast van de onderneming in jaar T-2

• Werkgevers van 10 tot 100 x de gemiddelde loonsom:
een gedifferentieerde premie gebaseerd op de schadelast van de onderneming en de sector in jaar T-2. De
verhouding eigen last en last van de sector wordt in een staffel bepaald volgens de methode: hoe groter de
loonsom hoe meer de eigen last meetelt.
• Werkgever tot 10 * de gemiddelde loonsom:
een gedifferentieerde premie gebaseerd op de Ziektewetlast van de sector in jaar T-2.

N.B. Deze indeling geldt niet alleen voor de financiering van de Ziektewet, ook de WGA financiering zal vanaf
2014 op deze indeling worden gebaseerd.

Deze nieuwe en meer rechtstreekse financieringswijze is mogelijk omdat het UWV met ingang van 2012 de
Ziektewet instroom per werkgever registreert. Per 2014 kan zij op basis van een structureel lastenniveau (de
maximale Ziektewetuitkering is immers 104 weken) de gedifferentieerde Ziektewetpremies vaststellen. Dit heeft
als bijkomend voordeel dat er in de premie geen rentehobbel nodig is om een gelijk speelveld voor de private
verzekeraars te creëren.

Hybride financiering van de Ziektewet

Ook na de invoering van premiedifferentiatie in de Ziektewetfinanciering per 2014 blijft het voor werkgevers
mogelijk om eigen risicodrager te worden. Het uitgangspunt voor deze hybride financiering is dat er een gelijk
speelveld ontstaat tussen de private en publieke verzekeraars. Anders dan bij de WGA gaat de overheid er echter
vanuit dat dit gelijke speelveld op termijn niet houdbaar is. Werkgevers zouden geneigd zijn om eerder te kiezen
voor eigen risicodragerschap omdat zij dit voor hun ‘normale’ werknemers ook zijn. Bovendien kunnen private
verzekeraars voor dit nieuwe risico eenvoudig hun productenpalet aanpassen en is er voor een Ziektewet eigen
risicodragersverzekering geen garantieverklaring nodig (wijziging per 2013). Verder hebben werkgevers het
voordeel van de publieke financiering van staartlasten bij aanvaarding van eigen risicodragerschap, zodat zieke
flexwerknemers geen drempel vormen bij het verlaten van de publieke verzekering.

Kortom er is een hybride financiering, maar de deur naar een op termijn volledig private vormgeving is nadrukkelijk
opengezet.

Financiering WGA

Werkgevers zijn anno 2012 financieel verantwoordelijk voor de eerste 10 jaren van de WGA uitkering van hun (ex)
werknemer. Er is een uitzondering voor de financiële verantwoordelijkheid. De Wet financiering sociale verzekeringen
stelt dat de WGA schade niet op de werkgever wordt verhaald, als de werknemer die uit de dienstbetrekking
waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht had op ziekengeld. Kortom, een werknemer die ziek uit dienst
gaat en vervolgens een Ziektewetuitkering ontvangt, vormt geen WGA risico voor de werkgever. Met de Wet
beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters, komt er een einde aan deze uitzondering. Indien
de Wet wordt aangenomen door de Eerste Kamer, betalen werkgevers vanaf 2014 ook voor hun flex-werknemers
die vanaf 2012 in de WGA zijn beland.

Overgangsfase in 2014 en 2015

De overheid schrijft de verlaging van de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen voor een belangrijk
deel toe aan de financiële verantwoordelijkheid van de werkgever. Dat deze verantwoordelijkheid niet geldt voor
flexwerkers in de WGA is daarmee één van de redenen dat deze groep een naar verhouding hoge WIA instroom
heeft. In 2014 gaan alle werkgevers voor instroom van hun flexwerknemers in de WGA een publieke WGA
flexpremie betalen. De vormgeving van de premievaststelling is gelijk aan die van de Ziektewet per 2014: kleine
werkgevers betalen een sectorpremie, grote werkgevers een individueel gedifferentieerde premie en middelgrote
werkgevers een combinatie van beide.

Er wordt voor deze indeling gekozen omdat bij kleine werkgevers een premieprikkel geen effect heeft (98% zit op
minimumpremie, 2% zit op maximumpremie), hoogstens dat de werkgever selectiever wordt in zijn aannamebeleid
hetgeen weer als ongewenst wordt ervaren. Bij grotere werkgevers werkt de premieprikkel wel, zij zullen
investeren om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van hun vangnetters te beperken, verwacht de Minister
van Sociale Zaken & Werkgelegenheid.

De volledig publieke financiering vormt een overgangsfase die tot 2016 zal duren. Deze fase is nodig zodat inkomensverzekeraars
zich kunnen voorbereiden op de nieuwe en gewijzigde markt. Gerekend vanaf 2013 is daar drie
jaar de tijd voor en deze termijn betekent eveneens dat lopende WGA eigen risicodragersverzekeringen tegen
die tijd hun gebruikelijke looptijd hebben bereikt. Met nieuwe verzekeringen kan vervolgens op de Ziektewet- en
WGA-wijzigingen worden ingespeeld.

Voor zowel de publieke als private WGA-flexpremie geldt dat maximaal de helft ervan kan worden verhaald op
het nettoloon van de werknemer.

Financiering per 2014

verzekering

ZW

WGA-flex

WGA-vast

werkgeversgrootte

groot

hybride*

individuele

premiedifferentiatie

publiek

individuele

premiedifferentiatie

hybride*

individuele

premiedifferentiatie

middel

hybride*

premie deels

individueel, deels

sectoraal bepaald

publiek

premie deels

individueel, deels

sectoraal bepaald

hybride*

premie deels

individueel, deels

sectoraal bepaald

klein

hybride*

sectoraal bepaalde

premie

publiek

sectoraal bepaalde

premie

hybride*

sectoraal bepaalde

premie

 

 

* hybride houdt in dat werkgevers de keuze hebben tussen premiedifferentiatie via UWV/Belastingdienst of eigen risicodragerschap.

Stel, u heeft een werknemer met een jaarcontract. Na 6 maanden wordt deze persoon ziek. Vanaf 2014 ziet dit er
dan als volgt uit:

Wijziging van de huidige WGA financiering

De nieuwe driedeling die wordt gemaakt in werkgeversgrootte heeft vanaf 2014 ook invloed op de WGA premiedifferentiatie
voor werknemers met een vast dienstverband (WGA vast). Nu bestaat de indeling uit klein en groot,
waarbij de grens op 25 maal de gemiddelde loonsom ligt (€ 757.500,- in 2013). Alle publiek verzekerde werkgevers
krijgen een individueel gedifferentieerde premie, waarbij alleen de bandbreedte voor de categorieën klein en
groot verschilt.

risico werkgever –

gedifferentieerde ZW-
premie

Risico werkgever –
gedifferentieerde premie
WGA Flex

risico werkgever

loondoorbetaling

6 maanden

loondoorbetaling/
WVP

18 maanden
ziektewet

6 maanden

vanaf 104
weken WGA

aanvang

jaarcontract

eerste

ziektedag

einddatum

tijdelijk contract

einde wachttijd –

104 weken ziek

De voorgestelde wijziging betekent dat werkgevers die in 2012 tot 10 maal de gemiddelde loonsom betalen, in
2014 te maken krijgen met een WGA sectorpremie voor hun WGA vast-risico. Voor werkgevers die meer dan 100
maal de gemiddelde loonsom betalen verandert er ten opzichte van het huidige systeem niets, hun premie blijft
individueel gedifferentieerd. Voor werkgevers met een loonsom daartussen geldt de al eerder uitgelegde mixvorm.
Per individuele werkgever en met name de kleinere, is er per 2014 dus een flinke premiewijziging mogelijk.
Voor werkgevers die al eigen risicodrager zijn verandert er op WGA vast-vlak niets. Anders is het voor werkgevers
die vanaf 2014 eigen risicodrager willen worden. Sociale Zaken vindt dat kleine werkgevers die zieke of arbeidsongeschikte
werknemers hebben, een te grote drempel over moeten om eigen risicodrager te worden. Daarom
wil zij dat werkgevers die tot 10 maal de gemiddelde loonsom verlonen, hun staartlasten achter kunnen laten
indien zij eigen risicodrager worden. Ook middelgrote werkgevers (tot en met 100 maal de gemiddelde loonsom)
krijgen hiermee te maken doordat hun staartlasten gedeeltelijk worden doorbelast. Welk deel dat is moet nog
worden geregeld per algemene maatregel van bestuur, maar het lijkt logisch dat hiervoor dezelfde verhouding
wordt gebruikt als bij het vaststellen van de gedifferentieerde premie: hoe hoger de loonsom hoe meer de eigen
schade meetelt.

Bezien vanuit de re-integratie-inspanningen kan dit voor de grotere werkgevers die uittreden nadelig uitpakken.
Het volledige uitlooprisico blijft namelijk onder re-integratieverantwoordelijkheid van het UWV vallen. Een
werkgever die dicht tegen de grens van 100 maal de gemiddelde loonsom zit, moet (waarschijnlijk) een groot
deel van het uitlooprisico financieren, maar kan geen invloed uitoefenen op de schadehoogte, omdat het UWV
de re-integratiehonneurs waarneemt. Bij werkgevers met meer dan 100 maal de gemiddelde loonsom speelt
dit niet, zij zijn bij aanvaarding van eigen risicodragerschap financieel en re-integratie verantwoordelijk voor het
volledige uitlooprisico.

Situatie 2016

De WGA-flexpremie die werkgevers in 2014 en 2015 betalen, vervalt per 2016. Vanaf dan worden de WGA risico’s
van vaste en flexibele arbeidskrachten via één premie gefinancierd. De indeling in drie werkgeversgroottes blijft
gehandhaafd, evenals de wijze van premievaststelling. Werkgevers kiezen vanaf dat moment dus voor publieke
of private verzekering voor hun volledige WGA risico. Het ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid zal
daarvoor nog beoordelen of een rentehobbel, een opslag op de publieke verzekeringspremie ten behoeven van
een gelijk speelveld, noodzakelijk is. Voor de werkgevers die al eigen risicodrager zijn voor de WGA zal de garantieverklaring
moeten worden uitgebreid met het nieuwe risico.

Financiering 2016

verzekering

ZW

WGA-totaal

werkgeversgrootte

groot

hybride

individuele

premiedifferentiatie

hybride

individuele

premiedifferentiatie

middel

hybride*

premie deels

individueel, deels

sectoraal bepaald

hybride*

premie deels

individueel, deels

sectoraal bepaald

klein

hybride*

sectoraal bepaalde

premie

hybride*

sectoraal bepaalde

premie

 

 

De Ziektewet en WGA premies zullen ten goede komen aan de Werkhervattingskas. De Ziektewetuitkeringen die
worden toegekend aan werknemers in verband met ziekte als gevolg van orgaandonatie en zwangerschap of op
grond van de no risk polis, worden vanuit het Arbeidsongeschiktheidsfonds gefinancierd. Dat houdt in dat alle
werkgevers gezamenlijk voor deze uitkeringslasten opdraaien. Uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen daarnaast
de WGA uitkeringen die langer duren dan 10 jaar, IVA-, WAO-, Waz en Wazo-uitkeringen en onverhaalbare
Ziektewetuitkeringen. Zieke werklozen worden vanuit het Algemeen Werkloosheidsfonds betaald.

Stel, u heeft een werknemer met een jaarcontract. Na 6 maanden wordt deze persoon ziek. Vanaf 2016 ziet dit er
dan als volgt uit:

Advies Raad van State

Op 7 maart 2012 heeft de Raad van State, met vicepresident en voormalig minister van Sociale Zaken & Werkgelegenheid
Donner aan het roer, een advies uitgebracht over het wetsvoorstel. De Raad begon haar advies met
de opmerking dat ziekteverzuim en WIA instroom van vangnetters momenteel een dalende trend laat zien.
Omdat vergeleken met werknemers met een vast dienstverband verzuim en arbeidsongeschiktheid hoger is,
vindt de Raad dat ingrijpen toch noodzakelijk is. Over de manier waarop moet worden ingegrepen is de Raad van
State het echter oneens met het Ministerie. De oplossing voor het relatief hoge ziekteverzuim van vangnetters
moet volgens hen eerder worden gevonden in een intensieve begeleiding bij de re-integratie door het UWV. De
Raad vermoedt dat het re-integratieproces gebaat is bij het eerder dan na een jaar ziekteverzuim zoeken naar
arbeid op lager niveau en denkt dat de wetswijzigingen zorgen voor een mogelijke verdere tweedeling tussen
vangnetters en de vaste werknemers. Hun conclusie is overduidelijk: De Raad van State meent dat gelet op het
bovenstaande het wetsvoorstel moet worden heroverwogen. Minister Kamp heeft in een rapport van 14 kantjes
uitgelegd dat (behoudens de teruggedraaide loondoorbetalingsperiode bij zieke uitzendkrachten) het Wetsvoorstel
zorgt voor de juiste oplossing van de vangnetproblematiek. Het Wetsvoorstel kon richting de Tweede Kamer
worden gezonden.

De Tweede Kamer

De behandeling van het wetsvoorstel vond op 3 juli 2012 plaats in de Tweede Kamer. Na een lange zit en een
reeks aan moties, zo werd bijvoorbeeld de grens van kleine werkgevers opgetrokken naar 10 maal de gemiddelde
loonsom, werd de wet aangenomen. Om een beeld te geven van de meningen van de diverse politieke partijen in
de Tweede Kamer, geven we hieronder een aantal quotes uit het debat van 3 juli jongstleden.

GroenLinks (de heer Klaver)

Hieruit spreekt de ideologie van ‘eigen schuld, dikke bult’. Als je ziek bent, dan is dat je eigen schuld. En aan het
werk komen is ook je eigen verantwoordelijkheid. Zo veel mogelijk financiële prikkels inbouwen en maar drukken.

PvdA (mevrouw Vermeij)

Het UWV heeft TNO opdracht gegeven om te kijken waarom vangnetters zo’n groot deel van de populatie uitmaken
en wat daar precies mee aan de hand is. Uit de eerste opzet van dat onderzoek blijkt dat wij niet weten hoe
dat komt. Wij weten niet wat er aan de hand is. De oplossing is echter een wetsvoorstel waarbij wij vangnetters
financieel afknijpen.

risico werkgever

gedifferentieerde

ZW-premie

risico werkgever

gedifferentieerde premie
WGA flex

risico werkgever

loondoorbetaling

6 maanden

loondoorbetaling/
WVP

18 maanden
ziektewet

6 maanden

vanaf 104
weken WGA

aanvang

jaarcontract

eerste

ziektedag

einddatum

tijdelijk contract

einde wachttijd –

104 weken ziek

SP (de heer Ulenbelt)

Het doel van het kabinet is dat er minder mensen die nu in de Ziektewet zitten in de WIA komen. Dat is een goed
doel. Dat doel heeft de zieke zelf namelijk ook. Die zieke wil niet ziek blijven. Die wil beter worden. Die wil weer
aan de slag. Dan moet, in dit geval, dat werk er echter wel zijn. Bovendien is de wet in strijd met ILO-verdrag 121.

VVD (de heer Huizing)

Ik geef graag een welgemeend compliment aan de minister voor dit wetsvoorstel. Voor de grotere werkgevers

betekent de introductie van premiedifferentiatie dat ze het in hun portemonnee zullen voelen als ze onvoldoende
doen om het ziekteverzuim te beperken. Middelgrote werkgevers krijgen een mengvorm van een sectorale
premie en premiedifferentiatie. Positief is dat de kleinere werkgevers een sectorale premie blijven betalen, want
hierdoor worden ze gevrijwaard van het risico dat een toevallig langdurig zieke werknemer een onevenredig
grote impact op een bedrijfsresultaat heeft.

PVV (de heer Van den Besselaar)

Een complexe wet, waarbij ik tot ongenoegen van mijn omgeving een schaterlach niet kon onderdrukken toen
ik op bladzijde 37 van de memorie van toelichting las dat het kennisnemen van deze nieuwe wet de gemiddelde
Ziektewetgerechtigde slechts tien minuten kost.

…Ziek is ziek; beter is beter. Je wordt niet ineens beter omdat je ziekengeld gehalveerd wordt. Integendeel.

…Een invoering van de premiedifferentiatie in de WGA-flex in 2014 is te vroeg, want de premie wordt gebaseerd
op de lasten van 2012. Bovendien wordt de prikkel van de premiedifferentiatie pas effectief in 2016, als werkgevers
een echte keuze hebben en kunnen overstappen naar een private verzekeraar.

D66 (mevrouw Koser Kaya)

Voor grote bedrijven wordt de premie individueel gedifferentieerd, voor middelgrote bedrijven wordt de premie
zowel sectoraal als individueel gedifferentieerd en voor kleine bedrijven wordt de premie alleen sectoraal gedifferentieerd.
Is het mogelijk dat hiervan een prikkel uitgaat om klein te blijven?

Christen Unie (mevrouw Ortega-Martijn)

Waarom vindt de minister dat zo’n maatregel inderdaad qua proportionaliteit juist goed is voor deze groep…
Daarnaast hoor ik graag van hem hoe dit zich verhoudt tot internationale verdragen…. De prikkel kan ertoe
leiden dat werkgevers in plaats van tijdelijke contracten zelfs uitwijken naar nog lossere contractvormen, zoals
payrolling.

CDA (de heer Van Hijum)

…Ik doel met name op de aanscherping om, als het ware, de regels voor passende arbeid uit de WW ook van
toepassing te verklaren op de Ziektewetpopulatie. Dat betekent dat je het eerste halfjaar op je eigen niveau mag
zoeken, dan een halfjaar eronder en na een jaar iedere vorm van gangbare arbeid moet accepteren.

In de quote van de heer Ulenbelt heeft u kunnen lezen dat hij stelt dat de wetswijzigingen in strijd zijn met het
internationale verdrag ILO 121. Dit verdrag regelt een bepaald niveau van inkomensbescherming voor werknemers
die als gevolg van arbeidsongevallen en beroepsziekten arbeidsongeschikt zijn geraakt. We hoeven er niet
vanuit te gaan dat dit verdrag de wijzigingen van de Ziektewet zal voorkomen. Het ILO comité is namelijk ook
al tijden van mening dat onze Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen niet aan verdrag 121 voldoet. Het
vorige en het huidige demissionaire ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid is het met hen oneens en
probeert ILO van het eigen gelijk te overtuigen.

Het wetsvoorstel is behandeld in oktober 2012 in de Eerste Kamer, op het moment dat de partijen PvdA en VVD
bezig zijn met de onderhandeling over een nieuw regeerakkoord. De Eerste Kamer, die geen wijzigingen mag
doorvoeren in de inhoud van de wet heeft de wet aangenomen met als ingangsdatum 1-1-2013, waarbij één
onderdeel van de wet een andere ingangsdatum krijgt. Het betreft de invoering van de arbeidsverledeneis; deze
gaat in per 1-1-2014. Met als politieke boodschap dat de politieke partijen een jaar de tijd krijgen om een alternatief
te vinden voor het wegvallen van een stukje bezuiniging. Wordt er geen alternatief gevonden die leidt tot
wetswijziging, dan gaat ook de arbeidsverledeneis ongewijzigd in per 1-1-2014.

Terugkijkend naar de historie is het opmerkelijk; een wet die ondertekend is in 1913 heeft een redelijk ongewijzigd
verloop gedurende 100 jaar, tot 2013. En op het moment dat er een modernisering moet komen vanaf 2013
wordt dit zo geregeld dat binnen 1 jaar de wet alweer zou kunnen wijzigen.

Over Persoonality

Persoonality is een zelfstandig label van Timing en daarmee onderdeel van de ADG dienstengroep, een landelijk
concern in de zakelijke dienstverlening. 14 jaar na onze start in de payrollbranche, behoren we tot de top van
grootste payrollorganisaties in Nederland. Met ruim 12.500 payrollmedewerkers en 1.000 inleners in 50 verschillende
branches hebben we ruime ervaring binnen het MKB.

Samen de beste werkgever

Persoonality wil de beste werkgever zijn! Maar dat kunnen we niet alleen. Dat lukt alleen door samen te werken
met onze klanten. Door samen met u het werkgeverschap te delen. Persoonality neemt de administratieve,
financiële en juridische lasten en risico’s over. Het selecteren, motiveren en functioneren van het team, dat laten
we graag aan u over. Zo bundelen we onze krachten en doen we waar we goed in zijn. Samen zijn we de beste
werkgever!

Contactgegevens

Voor meer informatie en persoonlijk advies kunt u contact opnemen met Hans ten Zende via 055 580 59 00 of
via info@persoonality.nl.

Over ENgage

ENgage Werkgeversadvies B.V. ondersteunt werkgevers in hun regierol bij re-integratie. Ziekte en arbeidsongeschiktheid
leidt tot hoge kosten, werknemers moeten terug in het arbeidsproces. Maar wie doet wat en betaalt
het? Dit overzicht verschaft ENgage. De producten en diensten van ENgage onderscheiden zich door de zeer
professionele, deskundige en persoonlijke benadering. ENgage gebruikt kennis omtrent alle private en publieke
wet- en regelgeving om tot kostenbesparing te komen voor werkgevers.

Deskundigheid en kwaliteit staan bij ENgage hoog in het vaandel. Maar gelijktijdig weten we dat deze begrippen
door iedereen geroepen kunnen worden. Daarom leggen wij zelf de lat heel hoog en laten wij ons graag beoordelen.
Onze kwaliteit en deskundigheid is verkregen door jarenlange ervaring. De personen die ENgage naar buiten
toe vertegenwoordigen kunnen zich beroepen op jarenlange ervaring als UWV-werkgeversadviseurs, senior
accountmanager inkomensverzekeringen, werkgeversadviseur bij een assurantietussenpersoon of werkzaam bij
een gevolmachtigd agent rond inkomensverzekeringen. De liefde voor het vak en het willen begrijpen stralen ze
aan alle kanten uit.Daarnaast zijn drie personen opgeleid tot casemanager.

Alles bij elkaar heeft ENgage het overzicht over het hele speelveld van ‘publieke en private inkomensverzekeringen’.
Daar willen wij de werkgever van laten profiteren: wees kostenbewust!

In ons karakteristieke pand in Apeldoorn, nabij het centrum en een van de mooiste parken van Nederland, kunt u
ons bezoeken. U bent van harte welkom.

ENgage werkgeversadvies

Deventerstraat 31

7311 LT Apeldoorn

055-5760039

Frauderende glazenwasser betrapt | Schoonmaakjournaal

Frauderende glazenwasser betrapt | Schoonmaakjournaal.

Een 53-jarige man uit Waalwijk is op 8 september in zijn woonplaats op heterdaad betrapt en opgepakt voor oplichting. Hij deed zich voor als glazenwasser en nam geldbedragen aan, maar ramen maakte hij niet schoon.

Dit meldt Omroep Brabant. De man viel door de mand toen hij zondag een envelop met geld aan een bewoner in de Dijkstraat overhandigde, omdat hij daar eerder zijn diensten niet was nagekomen. In de envelop zat echter papier in plaats van briefgeld. Na de ontdekking zette de bewoner de achtervolging in om de weggefietste oplichter te achterhalen. De politie hield de ‘glazenwasser’ later aan.

Volgens de politie zijn ook andere mensen in Waalwijk opgelicht en verzoekt daarom de mogelijke gedupeerden contact op te nemen.

 

Bron: Omroep Brabant, auteur: Ron Vorstermans, 10 september 2013

Paul Gascoigne pictured washing his windows bare-chested perched on a narrow ledge 50ft up – Mirror Online

Paul Gascoigne pictured washing his windows bare-chested perched on a narrow ledge 50ft up – Mirror Online.

Paul Gascoigne shows he is cleaning up his act – as he washes his windows bare-chested perched on a narrow ledge 50ft up.

The Geordie football legend, 46, looked fit and healthy and appeared to have put his recent booze problems behind him.

Showing an array of tattoos on his toned stomach, back and arms, Gazza squeezed out of a small fourth-floor window with a damp cloth in his hand as he set out to tackle the grime.

He then climbed over a balcony and balanced on a ledge to reach another window at his seaside penthouse.

At one stage a concerned neighbour went outside to ask if all was well – and the former England ace replied with a cheery thumbs-up before continuing with his chores.

An onlooker said: “It was an extraordinary display by Gazza. After recent events, you’d normally be worried seeing him on a narrow ledge 50ft in the air.

“But it seems he’s been looking after himself and staying off the booze. He looked in really good shape and was ripped as though he’d been working out.

“Perhaps he should be thinking about getting a window cleaner and stick to less dangerous household chores, though.”

Gazza has been recovering at his home in Bournemouth after a series of booze-related incidents.

Last month he was fined £1,000 for a drunken assault on a railway security guard who tried to stop him falling on the tracks in Stevenage, Herts.

Gazza’s solicitor told the town’s magistrates the star was making “great progress” in one-to-one sessions at a rehab centre near his home.

 

Daka services presenteert:

Unieke producten in Nederland!!!
Ga voor zekerheid in onzekere tijden!!!

Daka Services heeft nu unieke producten ontwikkeld, welke u zekerheid bieden en bedrijfscontinuiteit. Als eerste in Nederland hebben wij een service team op de weg zitten welke uw problemen binnen 24 uur oplost of u een vervangend middel ter beschikking stellen. We hebben speciaal voor u een Service Overeenkomst ontwikkeld. Daarnaast bieden we ook een ongevallen verzekering aan, voor uw systeem en steel. Als klap op de vuurpijl hebben we nu ook Operational lease. Dit is het Service Overeenkomst + Verzekering + financial lease, oftewel u koopt alles ineens af, via maandelijkse betalingen.

Ongevallen verzekering (+ beperkt diefstal)

Loop niet langer onnodig risico!

Het zal u niet snel overkomen, maar mocht u onverhoopt iets overkomen, dan bent u ALL-RISK verzekerd. Alle denkbare rampen zijn verzekerd, foutief gebruik, diefstal (beperkt).

Uw volledige aanschaf wordt vergoed. Indien u moet wachten op een nieuwe levering, kunt u kostenloos bij Daka Services een vervangend product huren.

Voor nog geen € 8,50 per maand bent u verzekerd! Of € 95,- per jaar.

 Ook voor concurrerende systemen en of producten.

 

SERVICE OVEREENKOMST

Alle zekerheid in een maandelijks bedrag!

We hebben nu een service team opgericht, welke uw defect binnen 24 uur verhelpt of een vervangend systeem levert. Het serviceteam komt naar uw gewenste locatie om de reparatie uit te voeren of het vervangend systeem af te leveren. Bij een service overeenkomst zit ook een verzekering ingesloten.

Het volledig onderhoud (denk aan filters, koppelingen, onderdelen etc.) valt onder het service overeenkomst. U hoeft niet meer bij te houden wanneer wat vervangen is en wanneer wat vervangen moet worden. Wij nemen uw zorg over. Let wel telescoop- en modulaire vallen niet onder de service overeenkomst (is wel verzekerd tegen ongevallen).

Ook voor concurrerende systemen en of producten.

OPERATIONAL LEASE

Wilt u precies weten waar u aan toe bent iedere maand? Service Overeenkomst + Financial Lease = Operational Lease.

 Als enige in de markt bieden wij u de mogelijkheid om de systemen volledig met service en financiering te leasen. Automatisch is uw aanschaf ook nog verzekerd. Bij de operational lease heeft u de hoogst mogelijke zekerheid. U betaalt maandelijks een bedrag en hiervoor krijgt u uw aanschaf, service en verzekering

www.dakaservices.nl